dinsdag 6 november 2012

Verstedelijking Zenne en Zoniën onvermijdelijk




 Zijn wij met nutteloze initiatieven onze tijd aan het verliezen? Lees volgende bijdrage in De Morgen en reageer op dit artikel. Bron: De Morgen/ Auteur Michel Vandersmissen.

DE MORGEN • ZATERDAG 27 OKTOBER 2012   Focus
 De grootstad groeit of beter gezegd een metropool Brussel
 Aalst, Mechelen, Louvain-La-Neuve, Dendermonde, Asse en Vilvoorde worden `banlieues' van Groot-Brussel,dat drie miljoen inwoners zal tellen
50000 Brusselaars verhuisden 'in tier jaar naar andere kant van ring,
70 procent Brusselaars kan het financieel niet aan in kernstad te blijven wonen
200000 inwoners komen er bij, in Brussel tegen 2020


Louis Tobback zal het wel niet graag horen, maar eigenlijk wordt (is) zijn Leuven een voorstad of `banlieue' van Brussel.
Net als Aalst, waar Louis-Paul Boon in 1943 zijn tijd vooruit was toen hij De voorstad groeit schreef. Geen schepen van Vlaamse Aangelegenheden die dat kan tegenhouden.
Michel Vandersmissen


Aalst verfranst door inwijke­lingen uit Brussel. Vilvoorde vreest grotestadsproblemen met jongeren van buiten­landse afkomst die per trein naar de rand sporen. En hoe moet het verder met Ninove en Asse? De stad­jes binnen een cirkel van 30 kilometer rond Brussel maken zich grote zorgen over de uit­dijende stad aan de Zenne, de snelst groeiende hoofdstad van West-Europa. Geen groene of Vlaamse rand is daartegen bestand. Sterker nog, als straks het Gewestelijke Expresnet (Gen) klaar is, vrezen velen een echte banlieu­elisering van die Vlaamse rand en verder.

Die vrees leidde deze week onder meer in Aalst tot het idee om een schepen voor Vlaamse Aangelegenheden te benoemen. Professor Eric Corijn, sociaal demograaf aan de VUB en overtuigd stadsmens, vindt het maar niks. Een verkrampte en defensieve reactie op een onomkeerbaar proces, zegt hij.
Eerst de feiten. Brussel groeit als kool. Tegen 2020 komen er 200.000 inwoners bij en de stad is nu al één van de dichtstbevolkte van Europa. In 2010 groeide de bevolking aan met netto 30.000 Brusselaars, vorig jaar met 20.000. In de armste Brusselse gemeenten, zoals Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node stijgt de bevolking nog sneller, met 3 tot 4 procent per jaar.

Die druk van binnenuit is onhoudbaar en dus migreerden de voorbije tien jaar bijna 50.000 Brusselaars naar de andere kant van de Brusselse ring. Gemeenten als Dilbeek, Zaventem en Sint-Pieters-Leeuw schreven tot 500 jonge Brusselse gezinnen per jaar in. Vilvoorde ontvangt jaarlijks tot 650 Brusselse gezinnen, vooral omdat de woningen er goedkoper zijn en het aantal sociale wonin­gen groter.
Die instroom zorgde er op haar beurt voor dat gezinnen uit deze randgemeenten `weg­vluchten' voor de Franstalige en gekleurde nieuwkomers uit Brussel. Ze zochten hun heil verderop in het `hinterland', zoals in Halle, Opwijk, Steenokkerzeel en Ternat, maar het heeft er alle schijn van dat zij opnieuw inge­haald worden door wat negatief wordt beschreven als de olievlek Brussel.

Dat van die sociale woningen is niet onbe­langrijk. Professor Corijn wijst er op dat de Brusselse woningmarkt grotendeels een parti­culiere aangelegenheid is. Meer dan 80 procent van de bevolking huurt er een huis, ter­wijl in Vlaanderen twee derde van de bevolking huiseigenaar is. Slechts 8 procent van de huizen is een sociale woning, terwijl meer dan de helft van de Brusselse gezinnen aan alle voorwaarden voldoet om in aanmer­king te  komen voor een sociale woning. Gevolg: de minst gegoede mensen worden uit de wijken gedreven. Voor 70 procent van de Brusselaars is het te duur om in de kernstad te blijven wonen. Zowel de arme gezinnen als de starters zoeken een uitweg.

Maar het was lang niet altijd zo, legt Corijn uit. Bij het begin van de naoorlogse industriali­sering waren er vele duizenden nijvere arbei­ders nodig vanuit het landelijke Vlaanderen om de nieuwe fabrieken te bemannen. Deze nieuwe arbeiders werden, zeker door de toen­malige CVP,  overtuigd om in eigen streek te blijven wonen en de industriële complexen werden zoveel mogelijk aan de stadsranden op goed geëquipeerde industrieterreinen gebouwd. Dat heeft de stadsvlucht enorm versterkt. De welvaart steeg en daarmee ook het residentieel wonen. De bevolking werd niet geconcentreerd in de steden, maar verspreid, met de lintbebouwing als leidraad. Er kwam weliswaar een verstedelijking, maar dan vooral in kleinstedelijke kernen.
Zo komt het dat een Wemmelaar, die vlak bij de grootstad woont, eigenlijk nog steeds dat subjectieve gevoel heeft in een rurale omgeving te wonen. In een dorp en niet in Groot-Brussel.


Toename stadsbevolking

De voorbije jaren is er evenwel een tegenbe­weging op gang gekomen. De industrialise­ring aan de rand van de stad dooft uit en een postindustriële beweging heeft zich op gang getrokken in de kernstad, door de groei van de dienstensector, de verzorgingseconomie, het toerisme, kleine internetbedrijven, reclame­bureaus enz. Die beweging heeft voor een rij­kere middenklasse gezorgd die graag weer in de hippe kernstad woont, werkt en leeft.
In plaats van een verspreiding is er sinds 1995 opnieuw sprake van een densificatie of toename van de stadsbevolking.
Brussel groeit niet alleen als snelste van alle Belgische steden, het heeft ook een erg jonge bevolking. Het ene is het gevolg van het andere. In 1981 was de Brusselse bevolking nog de oudste van het land, nu de jongste met een gemiddelde leeftijd van 37,5 jaar.
Volgens Eric Corijn moeten we daarbij het idee van de grote migrantenfamilies uit ons hoofd zetten. "Die tijd is voorbij. Ook deze gezinnen hebben gemiddeld 2,2 kinderen per gezin, vergelijkbaar met de Belgische huis­houdens in Brussel. Het aantal gezinnen in Brussel met meer dan zes familieleden (dat kunnen kinderen, maar ook inwonende ouders zijn) bedraagt slechts 5 procent in Brussel. De hoofdstad groeit snel omdat ze proportioneel veel jonge gezinnen heeft."
De andere bron voor de bevolkingsgroei is  de migratie. "Volgens mijn cijfers heeft 56 procent van de Brusselse bevolking geen Belgo-Belgische roots", zegt Corijn. Het gaat om migranten, maar ook om vele duizenden buitenlanders die in de talloze buitenlandse instellingen in Brussel werken, zeer goed opgeleid zijn en goed ver­dienen. Brussel is daardoor de hoogst opgeleide stad van West-Europa, maar tegelijkertijd een stad met een zeer hoge werkloosheid en een zeer arme bevolking.'
De gemeenten en stadjes in de periferie van Brussel behielden lange tijd dat rurale gevoel omdat de streek niet echt volgebouwd was. Huisje, tuintje kon nog. Dat zal volgens profes­sor Corijn snel veranderen, want waar moe­ten die 200.000 nieuwe Brusselaars immers gaan wonen?  "De hele groene rand rond Brussel zal verdicht en verstedelijkt geraken."
Maar tegelijkertijd ook verdund door de aan­leg van bijvoorbeeld stadsbossen en recreatie­gebieden.'
Volgens hem is daarbij niet de afstand tot de kernstad belangrijk, wel de bereikbaar­heid. Bijvoorbeeld waar er stopplaatsen zijn van het openbaar vervoer. Aalst ligt bijvoor­beeld slechts op een kwartiertje sporen van het centrum van Brussel. Ideaal dus om te  pendelen, zeker als je op zoek bent naar een betaalbare woning.


Gewestelijk Expresnet

Hier wordt het Gewestelijk Expresnet (GEN) belangrijk. Dat staat voor de uitbouw van een uitgebreid en snel voorstadsnetwerk met spoorlijnen van en naar Brussel. Het netwerk had dit jaar eigenlijk klaar moeten zijn, maar zoals wel meer in dit land liep ook dit grote bouwproject vele jaren vertraging op. Men mikt nu op 2022.
In een straal van 30 kilometer rond Brussel komen snelle spoorverbindingen waar tijdens de spitsuren om het kwartier een trein stopt. Als je het grondplan ziet van wat het uiteinde­lijk moet worden (zie kaart) moet je onwille­keurig denken aan het metronet van Londen of het Reseau Express Regional (RER) rond Parijs.
Wat zijn de eindhaltes van die snelle spoor­lijnen? Villers-La-Ville, Nijvel, Louvain-la­Neuve, Leuven, Mechelen, Dendermonde, Aalst, Zottegem en Geraardsbergen. Of samengevat de grenzen van het metropoli­tane gebied Brussel. Dat zal volgens professor Corijn uiteindelijk zo'n 3 miljoen groot­Brusselaars verenigen.
"Eigenlijk moet je het een polycentrische stad noemen die grosso modo de twee Brabanten verenigt in een verstedelijkt gebied." Maar dat gebied heeft wel sociolo­gisch en cultureel verschillende delen.

Corijn noemt bijvoorbeeld de as Vilvoorde- Mechelen als industrieel deelgebied. Dat vormt een onderdeel van de aloude economi­sche as Antwerpen-Brussel-Charleroi. De bevolking werkt nog in de industrie, is eerder arbeider en behoort tot de lagere sociale klas­sen, vaak met een buitenlandse afkomst.
Een tweede as is die tussen Leuven en Louvain-la-Neuve, waarop de campus van de ULB en de VUB aansluit. In die driehoek moet ooit komen wat Silicon Valley is voor Californië. De bevolking is er internationaler, hoger opgeleid en rijker.
Het Pajottenland aan de westkant, met de oude textielkernen van Aalst, Dendermonde en Ninove, wordt volgens Eric Corijn dan weer het reservoir van pendelende werkne­mers die sterk op Brussel gericht zijn. "Het zijn de  tweeverdieners, die op zoek zijn naar een betaalbare woning, zeg maar de bedien­den. Ze werken in Brussel en wonen in de voorstad."

Die voorsteden, zoals Aalst, zullen volgens hem ook niet overleven als centrumstad. Aalst zal zich straks geen eigen winkelcen­trum of bioscoopcomplex meer kunnen per­mitteren of het centrum kunnen zijn van grote culturele activiteiten. De verhoogde
mobiliteit en de verhoogde herkomst van de inwijkelingen maakt hen minder honkvast. Daardoor zullen de Aalstenaren veel meer dan nu in Brussel naar de film of het theater gaan en niet meer in Aalst zelf.

Politiek

De vraag is nu hoe de politiek moet reageren op deze metropool in wording. Professor Corijn ziet drie politieke spanningsvelden. "Het landelijke Vlaanderen was lange tijd CD&V-territorium. Sinds de jongste gemeen­teraadsverkiezingen wordt het hier aangeval­len door de N-VA. Beide partijen focussen zich op het behoud van dat landelijke Vlaanderen. De oude CD&V eerder vanwege familiale, christelijke motieven. De N -VA beroept zich op het Vlaamse volkskarakter. Gezien de secu­larisatie van Vlaanderen lijkt de N-VA een modern lekenalternatief voor de CD&V."
Het tweede spanningsveld komt door het multiculturele en multifunctionele karakter van de kernstad. Het is een samenleving die gebaseerd is op verschillen, op het anders zijn. Hier speelt de sp.a het best op in met de pro­jecten van stadsvernieuwing. Kijk naar
Leuven, Antwerpen, Gent en Oostende. "Stefaan De Clerck was eigenlijk de enige CD&V-burgemeester die dezelfde politiek voerde. Ook hij stelde de stadsvernieuwing heel centraal."
Tussen die twee polen heerst in de kleinere steden de grote twijfel : blijven we een groot dorp of worden we een kleine (voor)stad? Daartussen schuilen nationalistische motie­ven zoals bij Jan Jambon (N-VA), de nieuwe burgemeester van Brasschaat die zijn gemeente landelijk wil houden door een ver­lenging van de tram tegen te houden. `We gaan wel met de auto van Brasschaat naar de Meir of naar het MAS in Antwerpen, maar we willen niet dat het `schorremorrie' uit de stad met de tram de omgekeerde reis maakt', is de filosofie. Vergelijkbare motieven worden ook gebruikt om de Brusselse rand landelijk te houden of om de gordel rond Gent groen te kleuren.
Om die vele culturele, sociologische, poli­tieke en ruimtelijke problemen aan te pakken, moet de politiek de grote achterstand die het hier heeft opgelopen op het buitenland, snel inhalen. Anders riskeer je inderdaad een ban­lieuelisering in de slechte betekenis van het woord.
De stadsproblemen moeten en kunnen vol­gens professor Corijn niet worden opgelost door de gewesten. "Als je de problemen in Aalst door het uitdijende Brussel wilt aanpak­ken, zou je denken dat het Vlaamse en het Brusselse Gewest samen aan tafel moeten gaan zitten. Dat werkt niet. Die twee gewesten denken politiek veel te defensief en te concur­rentieel."
De oplossing bestaat er volgens hem in om de steden samen te laten werken. "Neem bij­voorbeeld Mortsel en Antwerpen. Mortsel heeft als gemeenteslogan: `De stad begint in Mortsel'. Neen, Mortsel is de stad. Het is één geworden met Antwerpen. De tram stopt niet aan de gemeentegrens en dus moeten Antwerpen en Mortsel beter samenwerken als het om mobiliteit gaat. Als Antwerpen straks een groot nieuw buitenzwembad wil, overlegt het best eerst met de buurgemeenten om de beste locatie te zoeken: '
Rijsel is volgens hem een goed voorbeeld. Het vormt samen met Roubaix, Kortrijk en Doornik een stedelijk aaneengesloten gebied. Toen Rijsel in 2004 Europese Culturele hoofd­stad was, organiseerde het een raad van bestuur waarin twintig burgemeesters mee beslisten. Daarbij ook die van Doornik en Kortrijk.
Een ander voorbeeld is de regio Hasselt, Maastricht, Aken, Luik. Die vier steden wer­ken samen op universitair vlak, voor de uit­bouw van een gezamenlijke regionale lucht­haven enz. Onze buurlanden hebben bijna allemaal dit soort bovenlokale, maar subre­gionale overlegplatformen. Belgie niet.'


`De groene rand rond Brussel zal verdicht en verstedelijkt geraken.                       
Maar tegelijkertijd ook verdund door de aanleg van bijvoorbeeld stadsbossen en recreatiegebieden.

 ERIC CORIJN
SOCIAAL DEMOGRAAF VUB